Er zijn voorstellingen waarbij je lekker achterover in je stoel kunt leunen. Het is niet eng; het is alleen dat iemand je te lang aankijkt. Te direct. Te waar. Dat gevoel is geen bijeffect op festivals als het Its Festival, dat nu deel uitmaakt van het Nederlands Theaterfestival. Het was met opzet zo bedoeld.
De afgelopen jaren maken jonge kunstenaars steeds vaker gebruik van wat je ‘radicale intimiteit’ zou kunnen noemen. Dit betekent dat ze ervoor kiezen de ruimte tussen de artiest en het publiek zo klein te maken dat iedereen zich ongemakkelijk voelt. Geschokt zijn is niet hetzelfde. Er is een soort zachte verstoring die je ervan bewust maakt dat jouw reactie deel uitmaakt van wat er gebeurt. Je kunt niet langer alleen maar toekijken. Je maakt er deel van uit, of je dat nu wilt of niet.
Het is interessant dat dit niet zomaar gebeurt. Al jaren bieden festivalcircuits zoals het Delft Fringe Festival jonge kunstenaars de kans om nieuwe dingen uit te proberen op ongewone plekken, zoals een woonboot, een watertoren en een raadzaal. Die plekken zorgen er al voor dat je dichtbij wilt zijn. Grote zalen, veilige rijen stoelen en een ver weg gelegen, goed verlichte uitgang zijn er niet te vinden. Je staat dicht bij de maker, en dat is precies het soort omgeving waarin radicale intimiteit kan groeien.

Het is belangrijk om op te merken dat er een verschil is tussen intimiteit die uitnodigt en intimiteit die confronteert. Veel jonge makers kiezen bewust voor de tweede optie. Wanneer ze het hebben over zaken als toestemming, lichaamstaal, seksualiteit en persoonlijk verlies, vragen ze je niet om empathie te voelen vanaf een veilige afstand. In plaats daarvan vragen ze je om aanwezig te zijn. Wanneer mensen gaan zitten om naar dit soort voorstellingen te kijken, worden ze onderdeel van de actie, ook al heeft niemand hen daar om gevraagd. Dat is precies de bedoeling.
Het Jonge Harten Festival in Groningen verwoordt het op een manier die je nooit meer vergeet: ze zoeken de balans tussen herkenning en ongemak. Beide tegelijk, niet het een of het ander. Dat is niet zo eenvoudig als het klinkt. Toeschouwers lopen weg, juist omdat ze zich ongemakkelijk voelen. Zoals het er nu voorstaat, is herkenning alleen niet genoeg om vragen op te roepen. Als je deze twee dingen samenbrengt, heb je makers nodig die precies weten waar de grens ligt en die vervolgens bewust overschrijden.
Dit lijkt misschien een kenmerk van jongere mensen die dingen maken omdat ze niets te verliezen hebben. Maar dat is niet de reden. Ze doen het omdat ze erin geloven als kunst. Een idee van wat theater kan doen wat films en tv niet kunnen, is ons de kans geven om iets echts te zien gebeuren, op dit moment, tussen deze mensen. Dat verandert wanneer iemand te dichtbij komt en je adem kunt voelen.
Het is niet altijd duidelijk of het werkt. Radicale intimiteit kan ook mislukken, mensen het gevoel geven dat ze worden bedrogen, en het publiek afschrikken in plaats van een band met hen te creëren. Mensen die deze weg volgen, weten dat. Bij dit soort voorstellingen laten de beste je achter met de twijfel of ze je hebben geraakt of je gewoon hebben meegezogen. Het is mogelijk dat dit verschil niet zo belangrijk is als het lijkt.
