Eind juni verandert een deel van Amsterdam in iets dat moeilijk te beschrijven is. Overal zie je jonge mensen die iets te bewijzen hebben: in de gangen van Frascati, op de Nes en bij de ingang van de Brakke Grond. Maandenlang hebben ze gewerkt aan een toneelstuk dat nog nooit iemand buiten hun klas heeft gezien. Ze zijn goed opgeleid en belezen. Die voorstelling gaat nu het echte podium op en wordt beoordeeld door echte mensen. Dat is het ITS, wat staat voor het Internationaal Theater Schoolfestival. Het is ook de meest eerlijke test die een jonge Nederlandse theatermaker kan doorstaan.
Sinds 1990 biedt het festival afgestudeerden van Nederlandse theaterscholen de kans om op te treden voordat ze op zoek gaan naar werk. Dat klinkt eenvoudig, maar iedereen die het festival heeft bezocht, weet dat het meer is dan alleen de afsluiting van een opleiding. Er zijn 14 Nederlandse instellingen die hun werk laten zien, evenals internationale scholen uit onder meer Duitsland en Canada. Van mime tot dans, van opera tot spoken word: het programma biedt voor elk wat wils. Hoewel de locaties elk jaar en elke editie veranderen, zorgt dat er niet voor dat het wat rustiger wordt. Juist dat gevoel van ‘nog niet af’ is wat het ITS-festival onderscheidt van andere festivals. In dit geval wordt er nog geëxperimenteerd met het werk; het is soms rommelig en soms verrassend volwassen. De voorstellingen zijn niet het resultaat van jarenlang werk door een productiemachine. Op het programma staan geen bekende namen. Natuurlijk zijn er kunstenaars die voor het eerst hun eigen keuzes verdedigen, zonder de steun van de school of de financiële druk van een regulier seizoen. Dat maakt de avonden soms ongemakkelijk. Maar het maakt ze ook juist heel interessant.

Van mensen uit Generatie Z, die nu hun theateropleiding afronden, wordt vaak gezegd dat ze authenticiteit waarderen, maatschappelijk actief zijn en niet alleen omwille van het theater zelf geïnteresseerd zijn in theater. Op het ITS merk je dat de producties zelden neutraal zijn, zelfs als dat waar is. Het is geen toeval dat de thema’s draaien om identiteit, zorg, inclusie en klimaat. Dit zijn de thema’s waarmee deze generatie dagelijks leeft, en het festival laat zien hoe goed ze die kunnen omzetten in iets dat meer is dan alleen een boodschap. Dat lukt niet altijd. Meestal zijn de pogingen echter veelzeggender dan de resultaten. Het is ook belangrijk om niet te vergeten dat het ITS een koele kant heeft. Er is Theaterkrant en andere vakpers, en een recensie – goed of slecht – kan een goede of een slechte start betekenen. Hier wacht niemand op makers tot ze er klaar voor zijn. Zo werkt de sector nu eenmaal, en het festival gedraagt zich niet alleen zo; het is zo. Sommige studenten vinden het nog te vroeg. Het is echter goed om al vroeg te beseffen dat de arbeidsmarkt je niet altijd op het juiste moment tegemoetkomt.
Marcus Azzini, de artistiek directeur van het festival, heeft het de afgelopen jaren weer teruggebracht naar de realiteit. Het heeft geen extra’s of statussymbolen nodig. Je voelt de keuze voor kleinschaligheid. Er is iets authentieks aan een festival waar de openingsborrel gewoon een borrel is en waar mensen na afloop napraten in een klein theatercafé, waar kunstenaars, critici en toeschouwers zich onder elkaar mengen. Het is mogelijk dat het nuttigste aan het ITS niet de voorstellingen zelf zijn, maar wat er rondom gebeurt. Het is moeilijk te zeggen hoe het ITS Festival er over tien jaar uit zal zien. Financieringsmodellen voor cultuur staan onder grote druk, jonge kunstenaars verlaten gevestigde theaters en de theaterwereld verandert sneller dan subsidieprogramma’s kunnen bijhouden. Maar de behoefte aan een plek waar een nieuwe generatie voor het eerst te zien is zonder te worden beschermd of gepolijst, lijkt niet te verdwijnen. Zolang die behoefte bestaat, heeft het ITS een sterkere bestaansreden dan welk festival dan ook dat al weet wat het is.
