Het is donker in de zaal. De gitaar begint te spelen. Ergens vooraan schreeuwt iemand het uit van pure vreugde. Dan, vrijwel direct daarna, begint een man achter je luidkeels te vertellen wat hij gisteravond heeft gegeten. Dit is geen op zichzelf staand geval. Het lijkt wel een patroon. Het heeft inmiddels een naam gekregen: de Dutch Disease.
Dit is niets nieuws. Muziekliefhebbers klagen er al minstens vijftien jaar over, zowel op Nederlandstalige forums als in verslagen van reizen buiten Nederland. Vaak zie je, als je in de concertzaal staat en om je heen kijkt, groepjes mensen praten alsof ze op een verjaardagsfeestje zijn, met hun rug half naar het podium gekeerd. De muzikant doet zijn uiterste best. Het publiek is… met iets anders bezig.
Het is vreemd hoe gewoon dit inmiddels is geworden. Ze schaamden zich er niet voor en waren zich er niet van bewust dat andere mensen misschien wel naar de muziek wilden luisteren. Het gesprek gaat gewoon door. Het leek alsof de concertzaal slechts een achtergrond was, wat leuk geluid voor een echt avondje uit.
Een promovendus uit Chili die in Wageningen woonde, verwoordde het een paar jaar geleden treffend. In Zuid-Amerika leggen mensen duizend kilometer af om naar een concert te gaan. Ze huilen, zingen en springen. Ze praten niet. Ze zei dat mensen hier gewoon stil staan. Misschien praten ze ook wel. Ze keek ernaar uit om Metallica in Amsterdam te zien en was benieuwd hoe de ‘Dutch Disease’ zich daar zou manifesteren. Die vraag zul je je nog lang herinneren.

De Nederlanders denken dat ze van muziek houden, wat de zaken nog ingewikkelder maakt. Dat zou ook wel eens waar kunnen zijn. Maar er lijkt iets veranderd te zijn in de manier waarop mensen livemuziek beleven. Vroeger was het een complete, bijna rituele ervaring, maar nu is het gewoon iets wat je kunt doen terwijl je andere dingen doet. Er speelt muziek. Mooi zo. Maar het gepraat gaat voor. Er is nu een onuitgesproken volgorde, en de artiest staat niet bovenaan.
Het is altijd riskant om dingen met andere landen te vergelijken, omdat je dan gemakkelijk generaliseert. Mensen die vaak naar concerten gaan in Frankrijk, Japan of Spanje merken daarentegen wel een verschil. Soms is het in de zaal in Parijs zo stil dat je de zanger tussen de noten door kunt horen ademen. In Tokio steekt iedereen, wanneer iets belangrijks voorbij is, plechtig zijn hand op om zijn waardering te tonen. In Amsterdam wordt er achter je gepraat over de file op de A10.
Er is geprobeerd het tij te keren. De concertreeks ‘Quite Quiet’, die al meer dan tien jaar loopt en is opgezet door alumni van de TU Delft, vraagt mensen om rustig te luisteren. Om op te letten. Het idee lijkt bijna belachelijk – tegenwoordig moet stil zijn tijdens een concert een keuze zijn, een statement – maar juist daardoor zitten de zalen vaak vol. Daarom wordt er om stilte gevraagd. Veel mensen willen dat. Ze doen het alleen niet meer vanzelf.
Misschien gaat het om meer dan alleen gedragspatronen. Mensen in Nederland hechten veel waarde aan samenzijn en het gebruik van gesprekken om mensen bij elkaar te houden. Dat is op zich prachtig. Maar in een concertzaal botst die gezelligheid rechtstreeks met de stilte die een artiest nodig heeft om gehoord te worden. Niet elke zaal kan beide tegelijk aan.
Het is moeilijk om hier boos over te zijn zonder het ook te kunnen begrijpen. Niemand gaat naar een concert met de bedoeling het voor anderen verpesten. Het is eerder een gebrek aan besef van wat het betekent om ergens echt aanwezig te zijn. Dat is waarschijnlijk het meest trieste ervan. De muziek verdient beter. De artiesten verdienen beter. Als je er goed over nadenkt, verdienen de Jans en Pieters van deze wereld ook beter. Maar ze zouden hun gesprek wel moeten beëindigen.
