De meest populaire Nederlandse theaterregisseur ter wereld is momenteel Eline Arbo. De podia waar haar werk nu te zien is – het Almeida Theater in Londen, het Koninklijk Deens Theater in Kopenhagen, het Edinburgh International Festival en het Holland Festival in Amsterdam – bevestigen dit, en zijn geen mening. Dit succes is geen toeval. Het is het resultaat van een regisseur die, midden in haar carrière, een consistentere aanpak hanteert dan de theaterwereld gewend is.
Arbo is artistiek leider van het Internationaal Theater Amsterdam, een gezelschap met een aanzienlijke invloed op de Nederlandse en Europese theatercultuur. De combinatie van drie elementen – muzikale integratie, literaire bewerking van materiaal dat niet specifiek voor het toneel is geschreven, en sociaal-politieke scherpte – die zelden tegelijkertijd zo goed worden uitgevoerd in het theater, onderscheidt haar werk van dat van de meeste regisseurs van een vergelijkbaar niveau.
Het bekendste voorbeeld van deze laatste groep is haar bewerking van Annie Ernaux’ roman ‘De Jaren’. Ernaux schreef een collectieve autobiografie, een boek dat het collectieve geheugen van een generatie gebruikt om de ervaringen van vrouwen gedurende vijftig jaar te beschrijven. Het vertalen van een roman naar een theatervoorstelling vereist andere keuzes dan het vertalen van een toneelstuk, omdat het een ensemble, een podium en de vluchtigheid van een avond in een zaal met zich meebrengt.
Door de muziek niet als begeleiding, maar als structureel element te gebruiken – ritme dat de chronologische spanning van de roman op het podium kan overbrengen waar woorden alleen dat niet kunnen – maakt Arbo die keuzes duidelijk.
Ze gebruikte een vergelijkbare aanpak voor James Baldwins werk Giovanni’s Room, dat homoseksuele identiteit en de uitdaging van eerlijkheid tegenover zichzelf en anderen onderzoekt. De roman behandelt onderdrukte emoties en innerlijke monologen, waardoor het een zeer psychologisch verhaal is. De theaterbewerking vereist dat deze onderdrukking zichtbaar wordt in de setting, bijvoorbeeld in de houding van de personages en de manier waarop een scène niet escaleert wanneer dat wel zou kunnen gebeuren.
Dat werk is zowel emotioneel als technisch zeer nauwkeurig. In dit opzicht is de Olivier Award die ze voor haar werk ontving zowel een persoonlijke eer als een bewijs van hoe goed haar werk wordt gewaardeerd door een professionele jury die wereldwijd erkende normen hanteert. Het is opmerkelijk dat een Nederlandse regisseur zo’n prijs ontvangt voor werk dat in het buitenland te zien is geweest.

Na elk nieuw ITA-seizoen vraagt de theaterwereld in Amsterdam en daarbuiten zich af wat Arbo dit keer heeft gekozen en hoe ze het aanpakt, in plaats van of ze weer iets waardevols produceert. Consistentie voedt deze verwachting, namelijk het geloof dat een kenmerkende artistieke signatuur in nieuw werk te herkennen zal zijn. Zelden wint een theater zo snel zo’n vertrouwen. Arbo heeft dat vertrouwen duidelijk opgebouwd.
