Elk jaar, in de laatste week van juni, voelde Amsterdam op een bepaald moment net even anders aan. Het was geen grote verandering, maar het was wel duidelijk merkbaar. Er waren studenten met scripts op zak, programmeurs die zich haastten om naar de volgende voorstelling te gaan, en een publiek dat niet altijd wist wat het kon verwachten. Dat was het ITS Festival. Dit gevoel van lichte onzekerheid, vermengd met oprechte interesse, was misschien wel de belangrijkste verdienste van het festival.
Sinds de start in 1990 toonde het International Theatre School Festival elk jaar het werk van afgestudeerden van Nederlandse theaterscholen, samen met enkele producties uit andere landen. Er zijn elke week meer dan vijftig voorstellingen op locaties als het Opera House, Frascati, De Brakke Grond, de Theaterschool en het Openluchttheater in het Vondelpark. Die spreiding was geen kwestie van gemak. Het was een statement. Het theater hoort niet thuis op slechts één plek, en de mensen die erheen gaan, hoeven niet altijd te weten waar ze heen gaan.
Het ITS onderscheidde zich van andere festivals niet door zijn omvang, maar door de manier waarop het was samengesteld. Dit festival biedt theater, dans, mime, podiumkunsten en cabaret, allemaal disciplines die tijdens het reguliere seizoen doorgaans gescheiden worden gehouden. Na ’s middags een mimevoorstelling te hebben gezien, kon iemand ’s avonds terechtkomen bij een dansvoorstelling van een Canadese school. Die mix voelde niet altijd even prettig aan. Maar het liet wel eerlijk zien hoe groot het vakgebied is als je het niet van tevoren in hokjes probeert te plaatsen.

Als artistiek directeur vanaf 2005 gaf Theu Boermans het festival een gezicht, en Tim Persent had de leiding over het dansprogramma. Onder hun leiding groeide het ITS uit van een interne presentatie van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten tot een zelfstandige stichting met een eigen profiel. Die beslissing om in 2003 onafhankelijk te worden was niet alleen een bureaucratische stap; het was noodzakelijk. Als een festival serieus genomen wil worden in zijn vakgebied, kan het niet louter een onderkomen zijn voor een onderwijsinstelling. Het moest zelf kunnen beslissen, zelfs als die beslissingen indruisten tegen wat het beste was voor de instelling.
Ik vind de prijzen die het ITS uitreikte erg interessant. De Ton Lutz-prijs voor veelbelovende regie, de Krisztina de Châtel-prijs voor dans en de Toneelschrijfprijs zijn slechts enkele van de onderscheidingen die mensen eren die een verschil hebben gemaakt in het Nederlandse theater. In 2014 won Eva Line de Boer de Ton Lutz-prijs. Het jaar daarop won ze de BNG Bank Prijs voor Nieuwe Theatermakers. Zij won in 2003 samen met Boukje Schweigman. Sommige namen die nu bekend zijn, waren hier aanvankelijk nog onbekend. Dat is geen toeval. Het kwam tot stand dankzij een festival dat openstond voor werk dat nog niet helemaal af was.
Het ITS hield in 2021 op te bestaan om een eenvoudige reden: het kon geen financiering meer krijgen voor langer dan één jaar. Geen enkel festival kan eeuwig doorgaan. De groep besloot te stoppen en haar middelen over te dragen aan ENT, wat staat voor Ensemble New Theatre Workers. Sindsdien organiseert ENT een eigen afstudeerfestival, dat het ENTER noemt. De volgende editie is prima, maar het is niet hetzelfde. Het is moeilijk om een vervanging voor het ITS te vinden, omdat het een bekende naam had in de sector en een geschiedenis die makers van verschillende generaties met elkaar verbond. Het ITS Theaterfestival Amsterdam heeft meer dan dertig jaar lang laten zien dat de vorm van het theater altijd kleiner is dan de mensen die erin werken. Het heeft niet veel doorgebroken in het traditionele theater. Elke generatie die naar het festival kwam, liet iets achter, zoals een manier van werken, een mix van verschillende disciplines, of een vraag aan het publiek. Sommige van die vragen zijn er nog steeds. Dat zou genoeg moeten zijn.
