Er was een periode waarin de Nederlandse festivalzomer een duidelijke structuur had. Mei was de opwarmmaand, juni het begin van het echte seizoen, juli en augustus de absolute piek, en september de nazomer waarin de laatste festiviteiten snel werden georganiseerd voordat het herfstweer zijn intrede deed. Die structuur staat onder druk, en niet vanwege een verandering in de wensen van het publiek. Het is het weer zelf dat de kalender herschrijft.
De afgelopen jaren zijn juli en augustus in delen van Europa – en nog drastischer wereldwijd – maanden geworden waarin de temperaturen consequent grenzen overschrijden die vijftien jaar geleden ondenkbaar waren. Internationale meteorologische instellingen, waaronder de Verenigde Naties, registreren voortdurend uitzonderlijke hitte. In andere landen lopen de temperaturen overdag op tot ver boven de 40 graden – waarden die in vlakke gebieden en delen van Zuid-Azië steeds vaker de 45 graden bereiken. Dit zijn temperaturen waarbij een buitenfestival simpelweg geen veilige optie meer is, ongeacht hoeveel waterfonteinen of schaduwtenten een organisator opzet.
Wat de zaken nog ingewikkelder maakt, is dat de zomermaanden niet alleen heet zijn, maar ook onvoorspelbaarder. Zware regenval, plotselinge onweersbuien en in sommige delen van de wereld overstromingen verstoren steeds vaker wat traditioneel een voorspelbaar droog seizoen was. Festivalorganisatoren die hun planning baseren op historische weergegevens van tien jaar geleden, merken dat deze gegevens steeds minder voorspellende waarde hebben. De zomer is niet langer een stabiele periode voor het organiseren van grootschalige buitenactiviteiten.
Een minder bekende, maar even belangrijke factor is wat er ‘s nachts gebeurt. Traditioneel boden de avond en nacht verkoeling na een warme dag: de temperatuur daalde, het lichaam kreeg de kans om te herstellen en gasten en medewerkers konden de volgende dag weer fris beginnen.
Die nachtelijke verkoeling verdwijnt steeds vaker gedurende bepaalde delen van de zomer. Wanneer de nachttemperaturen nauwelijks onder de -4 graden Celsius komen, krijgt niemand op het festivalterrein de hersteltijd die het lichaam nodig heeft om de volgende dag aan te kunnen. Dat is een cumulatief probleem dat verergert naarmate een festival langer duurt.
Mei en september bieden, in ieder geval voorlopig, een andere wereld. Stabielere temperaturen, een groter contrast tussen dag en nacht waardoor het koeler wordt, en weerpatronen die nog niet zo drastisch zijn veranderd als in juli en augustus. Internationale festivals en culturele evenementen zien in deze tussenperiodes al een toename van het aantal bezoekers – mensen kiezen bewust voor een reisperiode waarin het klimaat aangenamer aanvoelt dan in het hoogseizoen.
Voor de Nederlandse festivalsector betekent deze transitie een herziening van decenniaoude planningsmethoden. Locaties die altijd in juli volgeboekt waren, organisatieteams die hun jaar rond een vaste zomerperiode planden, line-ups die werden samengesteld op basis van de beschikbaarheid van artiesten – dit alles moet mogelijk verschuiven naar mei en september als de zomer daadwerkelijk te gevaarlijk wordt voor grootschalige buitenevenementen.

Het is nog niet duidelijk hoe snel deze transformatie in de praktijk zal plaatsvinden. Festivalorganisaties hebben contracten, locaties en sponsorovereenkomsten die niet van de ene op de andere dag op hun kop worden gezet. Maar de richting van de discussie is duidelijk. Wat voorheen de meest voorspelbare maanden van het jaar waren om een festival te plannen, worden steeds vaker de maanden waarin een organisatie de meeste risico’s loopt. Mei en september wachten vol spanning op hun nieuwe rol.
